Het nieuwe advies van de Raad voor Cultuur wijst de juiste richting, maar de volgende uitdaging ligt in de publieke informatie-infrastructuur
Zeven jaar nadat de Raad voor Cultuur met Zicht op zo veel meer waarschuwde voor de groeiende macht van internationale mediaplatforms, ligt er opnieuw een fundamenteel advies Kunstzinnig boven kunstmatig over de invloed van technologie op de Nederlandse culturele en creatieve sector.
Waar het in 2018 ging over de opkomst van Netflix, Google, Facebook en Amazon, staat nu generatieve kunstmatige intelligentie centraal. Op het eerste gezicht lijkt dat een andere discussie, maar wie beide rapporten naast elkaar legt, ziet vooral continuïteit. Opnieuw gaat het over de concentratie van technologische macht, de afhankelijkheid van voornamelijk Amerikaanse bedrijven en de vraag hoe Europese publieke waarden overeind kunnen blijven wanneer de digitale infrastructuur zich buiten Europa ontwikkelt. Daarmee laat de Raad zien dat zij technologie al jaren niet beschouwt als een louter economisch vraagstuk, maar als een ontwikkeling die rechtstreeks raakt aan cultuur, democratie en de inrichting van de publieke ruimte.
Tijdens de presentatie van het advies maakte Raadvoorzitter Kristel Baele duidelijk dat de Raad AI nadrukkelijk niet als een sectoraal onderwerp ziet.
“De impact is veel groter dan de culturele en creatieve sector”, stelde zij.
Kunstmatige intelligentie verandert volgens haar “de hele samenleving”, van onderwijs en journalistiek tot de manier waarop mensen informatie gebruiken en met elkaar omgaan. Daarmee positioneert de Raad AI terecht als een maatschappelijke ontwikkeling die veel verder reikt dan de culturele sector alleen.
Juist daardoor roept Kunstzinnig boven kunstmatig een interessante vraag op. Is dit vooral een actualisering van het platformdebat dat de Raad zeven jaar geleden begon, of markeert het een nieuwe fase waarin niet langer de distributie van informatie centraal staat, maar de manier waarop kunstmatige intelligentie informatie ordent, samenbrengt en interpreteert?
Een consistente analyse
De vergelijking tussen beide rapporten laat vooral zien hoe consistent de Raad voor Cultuur de afgelopen jaren is geweest. In Zicht op zo veel meer stond de distributiemacht van streamingplatforms centraal. Algoritmen bepaalden steeds nadrukkelijker welke films, series en journalistieke producties zichtbaar werden. Nederlandse verhalen verdwenen gemakkelijker uit beeld, terwijl economische en culturele invloed zich concentreerden bij een klein aantal mondiale spelers.
Zeven jaar later zijn streamingdiensten vervangen door foundation models en generatieve AI, maar de onderliggende analyse blijft vrijwel identiek. Opnieuw draait het om publieke waarden, artistieke vrijheid, auteurschap, culturele diversiteit en Europese autonomie. Dat is geen zwakte, maar juist een kracht. De Raad heeft zich nooit laten verleiden om digitale technologie uitsluitend als een economisch of technisch vraagstuk te beschouwen. Beide adviezen vertrekken vanuit dezelfde overtuiging: technologie verandert niet alleen markten, maar ook de manier waarop een samenleving haar cultuur organiseert en haar publieke ruimte vormgeeft.
Die consequente benadering maakt het nieuwe advies overtuigend als normatief kompas. Tegelijkertijd roept zij ook een nieuwe vraag op. De digitale werkelijkheid is sinds 2018 namelijk ingrijpend veranderd. Niet alleen de technologie, maar ook de aard van de macht die daaruit voortkomt.
Waarden vragen ook om concurrentiekracht
Die spanning wordt zichtbaar in de discussie rond GPT-NL. Het publiek gefinancierde project, geleid door TNO en een consortium van publieke partners, wil een Nederlands taalmodel ontwikkelen dat uitsluitend wordt getraind op data waarvoor expliciete toestemming of licenties zijn verkregen. Daarmee probeert het project auteursrechten en publieke waarden vanaf het begin centraal te stellen.
Precies op dat punt plaatst Paul Keller van Open Future in twee recente essays een fundamentele kanttekening:
- Volgens hem sluit GPT-NL zichzelf af van een aanzienlijk deel van de data die het Europese auteursrecht via de uitzondering voor tekst- en datamining juist beschikbaar maakt. De eerste benchmarks suggereren bovendien dat modellen die van die wettelijke ruimte gebruikmaken aanzienlijk beter presteren.
- Zijn tweede observatie is misschien nog belangrijker. Ook een zorgvuldig licentiemodel levert makers uiteindelijk weinig op wanneer het onderliggende model geen relevante marktpositie weet te bereiken. Keller pleit daarom niet voor minder auteursrecht, maar juist voor een Europees vergoedingssysteem dat meedeelt in de opbrengsten van AI-toepassingen, in plaats van uitsluitend te vertrouwen op individuele licentieovereenkomsten. Daarmee verschuift de discussie van de vraag hoe data mogen worden gebruikt naar de vraag hoe publieke waarden duurzaam kunnen worden gefinancierd.
Daar raakt Keller aan een vraag die ook onder het advies van de Raad ligt, maar slechts zijdelings wordt uitgewerkt. Het rapport beschrijft overtuigend welke waarden beschermd moeten worden, maar veel minder hoe die waarden zich verhouden tot technologisch concurrentievermogen. Europa, laat staan Nederland, kan alleen richting geven aan AI wanneer het ook modellen ontwikkelt die daadwerkelijk een geloofwaardig alternatief vormen voor de dominante Amerikaanse systemen. Publieke waarden en concurrentiekracht zijn geen tegengestelden. Zonder het tweede wordt het eerste op termijn moeilijk houdbaar.
Die ambitie klinkt overigens wel degelijk door tijdens de presentatie van het rapport. Baele formuleerde misschien wel de centrale beleidsvraag van het advies toen zij vroeg:
“Gaan we deze ontwikkelingen volgen als overheid en als sector? Of willen we die ontwikkelingen mee vormgeven?”
Daarmee kiest de Raad terecht voor een proactieve benadering. Niet langer uitsluitend reageren op technologische ontwikkelingen, maar proberen de richting ervan mede te bepalen.
Van distributie naar synthese
Juist daar ligt ook de belangrijkste verschuiving ten opzichte van 2018. Zicht op zo veel meer analyseerde een wereld waarin technologiebedrijven bepaalden welke content zichtbaar werd. De macht lag bij distributie. Algoritmen bepaalden welke films, series en journalistieke producties boven kwamen drijven, maar uiteindelijk bleef de inhoud afkomstig van herkenbare makers, redacties en culturele instellingen.
Generatieve AI verandert die verhouding fundamenteel. De nieuwe machtspositie ligt steeds minder bij degene die informatie distribueert en steeds meer bij degene die informatie synthetiseert. Een AI-model verwijst niet alleen naar bronnen, maar combineert, weegt en herschrijft die tot één nieuw antwoord. Niet de distributie verandert, maar de manier waarop werkelijkheid wordt samengesteld. Daarmee ontstaat een nieuwe systeemlaag tussen maker en publiek die ingrijpender is dan de platformeconomie ooit is geweest.
Juist die systeemlaag blijft in Kunstzinnig boven kunstmatig relatief onderbelicht. Het rapport analyseert zorgvuldig wat AI betekent voor makers, auteursrecht, culturele diversiteit en de creatieve arbeidsmarkt. Het pleit voor publieke AI-infrastructuur, voor experiment, voor Europese alternatieven en voor bescherming van makers. Dat zijn belangrijke aanbevelingen. Tegelijkertijd verschuift de maatschappelijke betekenis van AI inmiddels naar een volgend niveau.
AI verandert immers niet alleen hoe cultuur wordt geproduceerd, maar ook hoe cultuur wordt gevonden, samengevat, gewogen en geïnterpreteerd. Niet alleen de productie van cultuur verandert, maar ook de manier waarop cultuur betekenis krijgt. De volgende strijd gaat daarom niet alleen over wie informatie produceert, maar ook over wie bepaalt welke informatie wordt samengebracht, welke context behouden blijft en welke perspectieven uiteindelijk als gezaghebbend antwoord verschijnen.
De volgende beleidsvraag
Dat verandert ook de betekenis van pluriformiteit. Waar die in 2018 vooral betrekking had op de beschikbaarheid van Nederlandse verhalen tegenover een groeiend internationaal aanbod, hangt zij vandaag evenzeer af van de vraag welke bronnen AI-systemen selecteren, welke perspectieven zij combineren en welke historische of culturele context tijdens dat proces ongemerkt verloren gaat. Een zoekmachine presenteert verschillende bronnen waaruit een gebruiker zelf een afweging kan maken; een AI-assistent presenteert steeds vaker één geïntegreerde interpretatie. De maatschappelijke macht verschuift daarmee van selectie naar synthese.
Daarmee verandert ook de aard van digitale afhankelijkheid. In het platformtijdperk draaide die vooral om toegang tot publiek. In het AI-tijdperk verschuift de vraag naar toegang tot werkelijkheid. Wie bepaalt welke kennis wordt samengebracht? Welke culturele referenties blijven zichtbaar? Welke minderheidsstemmen verdwijnen omdat zij statistisch minder voorkomen in trainingsdata? Welke Nederlandse perspectieven blijven onderdeel van de antwoorden waarop burgers, studenten, beleidsmakers en journalisten steeds vaker vertrouwen?
Dat zijn vragen die zich allang niet meer beperken tot de culturele sector. Zij raken evenzeer de journalistiek, het onderwijs, de wetenschap en uiteindelijk de democratische besluitvorming. AI ontwikkelt zich niet alleen tot een creatief hulpmiddel, maar tot een cognitieve infrastructuur waarlangs burgers hun wereld begrijpen. Misschien is dat ook de volgende stap in het denken over AI. Niet alleen de bescherming van makers of de ontwikkeling van Europese modellen verdient aandacht, maar ook de vraag hoe de publieke informatie-infrastructuur zelf wordt ingericht.
De presentatie van het advies eindigde met een oproep die misschien nog het meest blijft hangen.
“We moeten niet meer in de bijrijdersstoel gaan zitten, maar echt achter het stuur.”
Dat is een krachtige metafoor voor Europese ambitie. De vraag is alleen of dat stuur inmiddels niet een niveau hoger ligt dan het advies zelf beschrijft. Niet alleen bij de ontwikkeling van AI-modellen, maar vooral bij de architectuur waarlangs kennis, cultuur en journalistiek worden samengebracht, geïnterpreteerd en uiteindelijk betekenis krijgen. Misschien verschuift de centrale beleidsvraag de komende jaren daarom opnieuw: niet alleen hoe we makers beschermen of culturele autonomie behouden, maar hoe Europa een publieke informatie-infrastructuur ontwikkelt waarin waarden, concurrentievermogen en cognitieve soevereiniteit niet langer afzonderlijke dossiers zijn, maar verschillende uitwerkingen van hetzelfde publieke vraagstuk.


