Creatieve zelfstandigen behoren in Nederland nog wel eens tot de groep die structureel geld tekortkomt. Dat blijkt opnieuw uit recente cijfers van het CBS. Hoe kan het dat mensen die fulltime werken, toch niet rondkomen? Wat kunnen we daaraan doen?
Ben je fulltime aan het werk, maar kun je daar toch niet van rondkomen, heb je waarschijnlijk te weinig ‘declarabele uren’. Als je daarbij te weinig onderhandelingsmacht hebt, is je tarief voor de uren die je wél kunt declareren, te laag. Dat overkomt veel ZZP’ers in de creatieve sector. Hun bestaan komt nu verder in gevaar door de huidige aanpak van schijnzelfstandigheid.
Tarieven correct berekenen
De overheid stelt nu dat je van een mogelijke arbeidsovereenkomst kunt spreken (‘rechtsvermoeden’), is 37 euro per uur. Dat is een ondergrens. Die ondergrens zegt niets over een leefbaar inkomen. Het VBAR-tarief is als volgt opgebouwd:

De opslagpercentages in deze berekening zijn te algemeen. Je zou ze eigenlijk per sector moeten aanpassen. Zo’n uurtarief van 37 euro kun je alleen handhaven, als de opslagpercentages van 25%, 15% en de correctie van 0,5 voor niet declarabele uren kloppen met de realiteit. En dat doen ze vaak niet voor de creatieve sector. Dat is een sectopr waar relatief veel ‘leegloop’ is, ofwel tijd die niet aan ‘echt’ werk, maar aan bijvoorbeeld inspiratie of research is gewijd.
De correctie voor niet-declarabele uren is “+0,5”. Dat zou betekenen dat je tweederde van je werktijd die uren ook als declareerbaar werk kunt beschouwen. Dit is het grootste misverstand van de hele berekening. Voor elk beroep ligt die verhouding anders. Elk beroep zou dus ook eigen verhoudingen moeten hebben. Als een zzp’er 66% declarabel is dan heb je het over 1150 – 1200 uur per jaar, rond de 26 declarabele uren per week.
Er zijn veel beroepen die dat soort uren niet halen. Dit zijn wat realistische voorbeelden die in het KNAB tarievenboekje staan: artiest 21, arts 24, coach/trainer 19, copywriter 22, docent 21, eventmanager 24, fotograaf 18, masseur 19, muzikant 19, pedicure 23, therapeut 20, tolk/vertaler 21, videomaker 24.
Al deze beroepen hebben veel last van die beroemde ‘leegloop’. Daar moet je rekening mee houden in je tariefberekening. Dan is het extra vreemd dat de overheid, via Platform ACCT, daar niet realistisch rekening mee wil houden in tariefberekeningen. Daar schreef ik onlangs dit over: Leegloop hoort bij ondernemen en in een tariefberekening.
Minimum ondergrens
Bepaal dus een minimumtarief per sector. Dat zorgt voor een inkomen waar je ook echt van kan leven. Een dergelijk tarief per sector kan een ondergrens zijn, net als dat in loondienst bestaat. Ik hoor mensen wel eens zeggen dat ze bang zijn dat die ondergrens de standaard wordt. Maar nu ligt die standaard nog veel lager. Bovendien heeft die standaard bij mensen in loondienst ook niet gezorgd dat iedereen voor een minimumloon werkt. Een ondergrens geeft alleen aan dat, als je voor lagere tarieven werkt, je echt gevaar loopt op armoede. Die armoede is zeker onder zzp’ers in 2023 weer gestegen.
Werken loont niet altijd
Het huidige VBAR-tarief beschermt je niet tegen armoede. Terwijl die bescherming wel het doel zou moeten zijn. De commissie-Borstlap wees hier al in 2020 op: werken moet lonen, ongeacht de contractvorm. Dat vraagt om tarieven die aansluiten bij de realiteit van werken in specifieke sectoren.
Armoede voorkom je niet als je werkt met met een theoretisch gemiddelde dat niet gebaseerd is op de realiteit. Dat geldt voor de huidige VBAR-uurtarief berekening, maar ook de meeste “Fair Pay” berekeningen van Platform ACCT gaan niet standaard uit van een marktonderzoek naar declarabele uren binnen een sector. Op die manier worden tarieven te laag berekend. Daarmee los je armoede juist niet op.
Waardeer dit Artikel!!
Cultuurpers is onafhankelijk. Jij maakt dat mogelijk met een donatie aan de auteur van dit artikel. We maken je gift voor 100% over aan de auteur!



